Vrouwen

Er zijn van die discussies waarover je – heel onwetenschappelijk – al een oordeel hebt en alleen nog op zoek moet naar steekhoudende argumenten. Neem de discussie over de positie van vrouwen in de top van een organisatie. Moet je willen, zeg ik, vrouwen aan de top. Maar waarom eigenlijk?

Niemand durft (nog) met goed fatsoen te zeggen dat je vrouwen een zetje moet geven omdat het anders zielig is. Nee: vrouwen moeten de top bereiken op basis van kwaliteiten die ertoe doen.

Google eens op vrouwelijk leiderschap en zie dat vrouwen in verband worden gebracht met openheid, kennis delen, gevoel en intuïtie bij besluitvorming, multitasking en betrokkenheid. Komt mooi uit, zo wil de gangbare opvatting, want het zijn precies deze ‘zachte’ kwaliteiten die we harder dan ooit nodig hebben.

Het bedrijfseconomische argument dat we niet meer zonder die typische vrouwenkwaliteiten zouden kunnen, lijkt mij nogal opportunistisch. Beetje hypothetisch misschien, maar toch: wat als we over een tijdje tot de conclusie komen dat die zachte kant toch niet meer zo bruikbaar is. Sturen we die vrouwen dan weer naar huis?

Een fundamenteler punt is dat wanneer we vrouwen 1-op-1 gaan associëren met zachte kwaliteiten, we eigenlijk zeggen dat harde vrouwen geen echte vrouwen zijn. Bitches zijn het, of manwijven. Om nog maar te zwijgen over die empathische, op relaties gerichte mannen, beter bekend als mietjes.

Het beeld dat mannen en vrouwen zo lekker complementair zijn (‘Ontsla jij ze, Henk? Dan bied ik wel de nazorg’) doet het dan ook niet voor mij. Maar hoe maak je deze vreselijk complexe kwestie dan wel hanteerbaar? Misschien moeten we ons licht eens opsteken in de sportwereld.

Bij atletiek nemen vrouwen het op tegen vrouwen en ook de mannen mogen het onderling uitzoeken. Dat gaat goed zolang iedereen maar ondubbelzinnig óf man óf vrouw is. Maar dat gaat niet altijd goed. Zo’n zestig jaar geleden mocht de Nederlandse hardloopster Foekje Dillema geen wedstrijden meer lopen omdat ze ‘geen vrouw’ zou zijn. In 2010 hadden we een vergelijkbare situatie met de Zuid-Afrikaanse 800-meterloopster Caster Semenya. Ook hier de schijn van ‘man’.

Sporters testen op hun vrouw-zijn is niet alleen vernederend, zo realiseert de internationale atletiekfederatie zich inmiddels, het al dan niet vrouw-zijn is an sich ook niet relevant. Het zijn namelijk de testosteronwaarden die een grote voorspellende waarde hebben op sportprestaties. De wetenschapper: “Het grote voordeel van een testosterontest voor deelname aan mannen- of vrouwenwedstrijden is dat je helemaal de discussie niet hoeft aan te gaan welk geslacht iemand heeft. Sekse (de biologische verschillen) of gender (het man- of vrouwgevoel dat iemand heeft) doen er dan niet toe. Als je testosteron te hoog is om bij de vrouwen mee te doen, dan heb je een probleem. En als je het verlaagt mag je weer meedoen.”

De analogie is natuurlijk niet onproblematisch, maar ik vind het wel een poging waard: een zoektocht naar objectieve, sekse- en genderneutrale kwaliteiten voor topprestaties in organisaties. Zolang de uitkomst maar vast staat, uiteraard: women on top.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

w

Verbinden met %s